Kartonnen melkfles
Hij was sterker dan praktisch was voor een extreem onhandige man. Mijn vader. Van kinds af aan was ik eraan gewend dat fragiele knopjes, hendeltjes en bedieningspaneeltjes een roemloos einde vonden onder zijn onhandige handen. Andere kinderen hadden vaders die alles konden maken. De mijne kreeg alles stuk. Probleemloos. Zo had hij tot schaamte van mijn moeder de deurhendel van onze Ford Anglia – mogelijk de lelijkste wagen die Ford ooit geproduceerd heeft – per ongeluk gesloopt, waardoor je via het raam, dan wel de bijrijdersstoel naar binnen moest. Vond mijn vader niet zo’n punt, maar wij wel, vooral als er mensen keken. De uitvinding van de kartonnen melkverpakking betekende in ons gezin ook bepaald geen vooruitgang. De ‘handige, uitvouwbare schenktuit’ werd door mijn vader regelmatig onder binnensmonds gevloek volledig aan gort gescheurd, zodat de term ‘handig’ de lading zeker niet meer dekte. Toen de ochtendkrant op zeker moment berichtte dat ‘de uitvinder van de kartonnen melkfles’ was overleden, blikte mijn vader even over zijn krant en meldde kortweg: “en terécht”. Maar in mijn kinderlijke overtuiging had mijn vader een andere kwaliteit: hij wist álles. Zolang het zich maar beperkte tot politiek, economie en actualiteit in het algemeen, zijn vakgebied als redacteur. Was best handig, zo’n vader in het pre- internet en pre chatGPT tijdperk. Al moest je het er vaak wel zo ongeveer uitwringen, want hij was niet zo van het etaleren van kennis. Met nauwelijks ingehouden trots belde ik dan, inmiddels zelf redacteur – met mijn vader om even te informeren hoe dat ook alweer zat met dat akkoord van Wassenaar, of iets dergelijks. Wat me steevast op een narrig “Dat weet ik niet, hoor” kwam te staan, waarop hij vervolgens wel haarfijn uit de doeken deed hoe het zat. Hij had, soms tot frustratie van mijn moeder, niet de minste behoefte zich in discussies te mengen en z’n gelijk te halen en haalde bij borrelpraat slechts z’n schouders op: “laat ze toch praten.” Hij was een beetje los van de wereld, nam de mensen niet zo serieus en zichzelf al helemaal niet. Maar ons wel. Dacht ik althans. Dan zat je als negenjarige stomverbaasd en overdonderd door je eigen succes naar het volkomen nutteloze poppenslabbetje te kijken, waar je een hele middag op had zitten punniken en haken en dat door je vader in een paar woorden naar een hoger echelon gepromoveerd was. “Een wáár stukje huisvlijt!” aldus mijn vader. Hoeveel vaders zagen er eigenlijk in dat hun negenjarige dochter zich bezighield met ware huisvlijt? Deze maand zou hij 99 zijn geworden, als hij ouder had mogen worden dan 65. Gefeliciteerd,
pap, waar je ook bent.
Columnzuster Obstinata