Coach
Er was een tijd dat een coach een ding op wielen was, dat in een aflevering van de televisieserie ‘Bonanza’ of ‘Rawhide’ door indianen werd overvallen. Volkomen terecht overvallen natuurlijk, al is dat de perceptie van 2025, dat spreekt. Meestal door Apaches, want die waren het ergst, vond men. ‘Bloeddorstige roodhuiden’ werden ze meestal genoemd, maar mijn sympathie lag ook als kind al bij de Indianen, gewoon omdat ze veel mooiere pakjes aan hadden en altijd mochten kamperen; wat wil een kind nog meer? Maar terug naar de coach. Tegenwoordig is een coach een betaalde vriend die je op het juiste spoor moet zien te krijgen en te houden. Een praatpaal voor als je vrienden je zat zijn, denk ik, al is dat wel weer een tikje kort door de bocht en ongenuanceerd en dat is zó niet mijn stijl, zoals u wellicht weet. Maar goed, coaches doen ongetwijfeld nuttig werk en zullen zelf wellicht óók weleens het gevoel hebben dat een schop onder de kont een top idee zou zijn. Ik had dat wel, onlangs. Het was een prachtige dag op het terras in de museumtuin van Laren. Vrouw, midden veertig, well to do en in het gezelschap van haar coach (of die vriendin die het nog niet zat was) deed haar beklag:
“Ik houd dus eigenlijk he-le-máál niet van honden maar ja, iedere keer als we naar het strand gingen liep Tinka met zo’n speelgoedbeestje heel blij door de branding, tot ze op een dag vrééé-se-lijk begon te huilen. Alle andere mensen hadden échte honden en zij niet. Ze was echt ontroostbaar.” Gezeten aan het tafeltje naast haar, had de dame inmiddels mijn volledige aandacht. Tinka moet naar de toneelschool, dacht ik nog, niet intrappen. Maar zo liep het niet af, natuurlijk. “Dus ja, toen zagen we online zo’n schattig pupje van een maand of drie, een kruising Maltezer/Pomeriaan, zo’n pluizebolletje dat in een handtas past en toen waren we verkocht.” Bij de termen ‘kruising Pomeriaan’ en ‘maand of drie’ horen de alarmbellen eigenlijk al af te gaan want de kans dat het dan niet om een broodfokker gaat is ongeveer 0. Maar het werd nog erger. “Maar ja, Tinka deed er he-le-maal niks mee, met dat hondje, ze speelde er misschien tien minuten per dag mee en dat was het. En ik voelde me zo gevangen… Dan lag het pupje twee uur in de bench en dan móest je er weer wat mee. (Jóh!) Net als toen Tinka een baby was.” (arme Tinka, arme hond). Maar ja, de fokker wilde haar niet meer terugnemen (zó gek), dus toen hebben we via via een plekje voor haar gevonden.”
Er valt even een stilte en dan vraagt de coach: ”En wat heb je ervan geleerd?”
Niets, misschien?
Column zuster Obstinata